Manoppello en de mijnwerkersramp in Marcinelle (B)

Manoppello is een lieflijk dorp aan de voet van de Majella, vooral bekend vanwege Il Volto Santo, waar jaarlijks talrijke pelgrims op afkomen. In de naoorlogse jaren ging het dorp - zoals zovele dorpen en steden in Zuid-Italië - echter zwaar gebukt onder hoge werkloosheid en grote armoede, waardoor velen zich gedwongen zagen te emigreren, op zoek naar werk en een beter bestaan. Naar België bijvoorbeeld, naar de mijnen in Marcinelle, een plaatsje vlakbij Charleroi.

Daar voltrok zich in 1956 de grootste mijnwerkersramp van België en een van de grootste uit de Europese mijnbouwgeschiedenis. In de kolenmijn Le Bois du Cazier brak op 8 augustus 1956 brand uit. Dit leidde tot een ramp waarbij 262 mensen van twaalf verschillende nationaliteiten het leven lieten, onder wie 136 Italianen. Zestig daarvan kwamen uit Abruzzo en daar weer drieëntwintig van uit Manoppello (PE).

"Het zijn allemaal lijken"

De Belgische regering had in 1946 in Rome een overeenkomst gesloten met de Italiaanse regering: vijftigduizend Italiaanse arbeiders zouden in de Belgische steenkoolmijnen komen werken in ruil voor het eerste kooprecht van 200 kilo steenkool per mijnwerker per dag, een deal die Italië hard nodig had voor het herstel van de economie. België had de arbeiders nodig, omdat steeds minder Belgen wilden afdalen in de schachten. Maar de steenkool was wel nodig voor het herstel van de eigen economie. Daarom ging men over de Alpen ronselen. Aangetrokken door aantrekkelijke salarissen, beloften van pensioen en betaalde vakanties arriveerden tussen 1946 en 1957 zo'n 303 konvooien Italianen in België, bestemd voor de mijnen. Meer dan 140.000 arbeiders, meer dan 17.000 vrouwen en bijna 29.000 kinderen. Onvoorbereid werden de mannen de mijnschachten in gestuurd.

Op 8 augustus 1956 plaatste de Italiaanse mijnwerker Antonio Ianetta een volgeladen kolenwagen in de liftkooi. Daar stond al een ander wagentje en dat kon er niet uit. Toen de liftkooi plotseling werd opgehaald rukten de wagens een balk los, die op zijn beurt de telefoonlijnen, twee hoogspanningskabels en de olie- en persdrukleiding losrukte. Door de kortsluiting brak er bijna ogenblikkelijk een felle brand uit. Het ventilatiesysteem zorgde ervoor dat giftige gassen zich konden verspreiden over andere mijnschachten. Ianetta en zes man lukte het nog om om 8.25 uur boven te komen. Maar toen braken de liftkabels: de mijnwerkers van de ochtendploeg konden geen kant meer op. Vijftien uren later werden nog zes overlevenden teruggevonden. De reddingsactie duurde nog voort tot 23 augustus, tot de laatste tunnel verkend was en de redders naar boven kwamen met de boodschap: “Tutti cadaveri” (“Het zijn allemaal lijken”). Het laatste sprankje hoop van de vrouwen die daar weken lang bij het hek hadden staan wachten op een teken van leven was daarmee met twee woorden weggevaagd.

Pas op 17 december 1956 werden de laatste stoffelijke resten bovengehaald. De balans werd opgemaakt: 262 doden van 12 nationaliteiten, onder wie 136 Italianen. Drieëntwintig kwamen uit één dorp in Abruzzo: Manopello, in de provincie Pescara. Uit de Abruzzen kwamen in totaal zestig doden, uit Apulië 22, de Marken 12, Molise 7 en Calabrië 4. Er waren 95 Belgen onder de doden, van wie ongeveer dertig Vlamingen.

De ware oorzaak van de ramp

Kort na de ramp kreeg Antonio Ianetta onmiddellijk de schuld. Omdat men vreesde voor zijn leven, werd hij naar Canada gestuurd, waar hij op 11 februari 2012 overleed. De enige die uiteindelijk werd veroordeeld was Adolphe Calicis, de ‘directeur des travaux’ van de mijn. Hij kreeg in 1961 een voorwaardelijke straf van zes maanden en een geldboete, vanwege het in stand houden van een systeem waarin signalen verkeerd konden worden geïnterpreteerd.

In werkelijkheid was de schuldvraag complexer. De infrastructuur van de mijn in Marcinelle was in alle opzichten verouderd. Het hydraulisch systeem werkte in Marcinelle nog op olie terwijl in vele andere mijnen al op water was overgeschakeld. De mijnschachten en de tussendeuren waren van hout en (nog) niet van staal. Toch voldeed Marcinelle aan de wettelijke voorschriften van die tijd. Pas na de ramp werden de veiligheidsregels grondig bijgesteld.

Na de ramp

De Italiaanse regering had onmiddellijk het immigratiecontract met België opgezegd. De 136 Italiaanse doden waren er 136 te veel. Zo kwam er door Marcinelle een einde aan een jarenlange golf van Italiaanse immigratie in België. Het werk in de mijn van Marcinelle werd intussen gewoon voortgezet, zij het in een lager tempo. Niemand wilde er nog werken, maar ergens anders was ook geen werk te vinden. De mijn werd officieel gesloten op 15 januari 1961. Bij de sluiting en ontmanteling stuitten de mijnwerkers echter op een nieuwe, rijke laag steenkool en men ging opnieuw aan de slag. In december 1967 werd de rampmijn definitief gesloten. De mijn doet nu dienst als museum en herdenkingsplaats.

Manoppello en Marcinelle

In Manoppello wordt nog ieder jaar die ramp herdacht. In augustus 2016, zestig jaar na dato, kwam de Belgische prinses Astrid naar Manoppello om België te vertegenwoordigen bij de herdenking. Midden in het dorp ligt, op de resten van de kloostergang van een voormalig klooster, een plein, dat door de gemeente ‘Piazza Caduti di Marcinelle’ genoemd is en waar sculpturen de herinnering aan de ramp het hele jaar door levend houden.

Klik hier voor de aflevering van ‘Andere Tijden ‘ van 11 november 2003, die aan de ramp gewijd was.

RECENTE BERICHTEN
ZOEK OP TAGS
ZOEK OP CATEGORIE